HOOFDSTUK 18 @BRK#Zoals Ellis al had aangegeven was de doorwaadbare plaats zeker een meter diep en stond er een stevige stroming. Arnaut en Gilan besloten de situatie eerst eens goed te analyseren. Voorlopig was er nog altijd niets te zien van achtervolgende Vossen. Na hun smadelijke nederlaag van eerder hadden ze vast geen haast om zich opnieuw binnen schootsafstand van die dodelijke boogschutters te wagen. ‘We moeten eerst de helft van de boogschutters naar de overkant brengen, zodat zij een verdedigingslinie op de oever kunnen opzetten. Dan kunnen ze de rest dekking bieden bij hun oversteek,’ zei Gilan na enkele minuten. De rivier was hier ruim honderd meter breed, dus de pijlen van de boogschutters konden vanaf de ene oever heel goed de overkant bereiken. ‘Goed plan,’ zei Arnaut. ‘We moeten niet aangevallen worden als we midden in de rivier aan het ploeteren zijn. Hadden die Vossen eigenlijk boogschutters? Ik heb ze niet gezien.’ Gilan schudde zijn hoofd. ‘Als ze die hadden gehad, hadden ze die vast wel ingezet,’ antwoordde hij. Hij riep de commandant van de boogschutters bij zich. ‘Nestor, koppel de helft van jouw manschappen aan een cavalerist en stel aan de overkant een verdedigingslinie op.’ Nestor knikte en bracht zijn hand bij wijze van saluut even naar de zijkant van zijn hoofd. Hij draaide zich om en riep bevelen naar zijn manschappen. De helft van hen liet zich van de rug van hun paard glijden en ze overhandigden de teugels aan de cavaleristen aan wie ze gekoppeld waren. Ze bleven naast de paarden staan en grepen zich stevig aan de tuigage van de paarden vast. Ze gaven hun bogen aan de ruiters, die de wapens om hun schouders slingerden. ‘Waarom laat je ze niet naar de overkant rijden?’ vroeg Arnaut. Maar dat vond Gilan geen goed idee. ‘Ze kunnen wel paardrijden, maar echt goed zijn ze niet. In die stroming zal het niet meevallen om de paarden onder controle te houden. Jouw mensen kunnen dat beter, en dan kunnen ze ook nog hulp aan de lopende boogschutters bieden.’ De eerste cavaleristen leidden hun paarden al het water in. De boogschutters liepen aan de stroomafwaartse kant met ze mee, zodat de paarden nog wat bescherming tegen de trek van het water boden. Vanaf de oever werd de rivier snel dieper, tot het water de knieën van de ruiters raakte. De boogschutters, bij wie het tot aan de oksels kwam, klampten zich verbeten aan de tuigage van de paarden vast. Twee van hen werden door de stroming omvergetrokken. Slechts doordat ze zich aan de riemen van de zadels vasthielden konden ze, met hulp van de ruiters, weer overeind komen en hun weg naar de overkant vervolgen. Gilan hield ze scherp in de gaten, tot ze halverwege de rivier waren. Op dat moment begreep hij dat ze het wel gingen halen en verlegde hij zijn aandacht naar het bos, enkele honderden meters verderop. Hij liep naar de tweede groep boogschutters, die met hun wapens in de hand naar de bosrand gericht stonden. ‘Al iets gezien?’ vroeg hij aan de tweede man van het gezelschap. De man schudde zijn hoofd. ‘Tot nu toe niet, Jager.’ Net als op de plek waar hun eerste confrontatie met de Vossen had plaatsgevonden, lag er ook hier enkele honderden meters groen platteland. Daarachter begon het bos. ‘Laat het me weten zodra je iets ziet,’ zei Gilan. De man knikte en liet zijn aandacht voor de bosrand intussen geen moment verslappen. Achter zich hoorde Gilan het knallen van een zweep, veel gespetter en aanmoedigend geschreeuw. Hij draaide zich om en zag dat de kar met de voorraden het water in was gereden. De vijf boogschutters die geen paard konden rijden zaten erop en hielden zich stevig vast. De stroming trok de kar aanvankelijk flink scheef, maar nadat de wagenmenner de trekpaarden flink had opgezweept zorgde hun voorwaartse beweging ervoor dat het gevaar om om te kieperen afnam. De kar werd op de ongelijke rivierbodem en door de kracht van de stroming wel flink heen en weer geschud. Gilan was ook even bang geweest dat de kar zou omvallen en hij had zijn mond al open om de mannen in het water te waarschuwen. Maar de kar was zwaar genoeg en het zwaartepunt lag laag, zodat het gevaar eigenlijk geweken was zodra de paarden voldoende snelheid maakten. Plotseling zakte de kar gevaarlijk scheef weg; het wiel was onder water in een kuil terechtgekomen. Een van de boogschutters werd bijna overboord geslingerd, maar hij kon zich nog net aan een snel toegestoken hand van een van zijn kameraden vastgrijpen en zich terug naar boven laten trekken. Gilan hoorde de mannen op de kar hartelijk om het voorval lachen – ook degene die net bijna in het water was gevallen. Hij knikte tevreden. Als ze zelfs in zo’n gevaarlijke situatie nog om het ongemak konden lachen was de moraal van de manschappen dik in orde. Hij tikte Bles in zijn flanken en draafde naar Arnaut, die de voortgang van het gezelschap in de rivier met grote belangstelling gadesloeg. ‘Wat was je van plan als we eenmaal aan de overkant zijn?’ vroeg hij. De lange krijger lachte hem een beetje opgelaten toe. ‘Tja, die zes Vossen hoeven we in elk geval niet meer te volgen,’ antwoordde hij. ‘De groep die we zochten hebben we wel gevonden, denk ik.’ ‘En die was een stuk groter dan we hadden verwacht,’ vulde Gilan aan. ‘We zullen ergens onderdak moeten zoeken, liefst ergens waar we een behoorlijke verdedigingslinie kunnen optrekken.’ ‘Ik dacht eigenlijk naar dat oude fort te gaan dat we op de kaart zagen staan. Dat is maar drie à vier kilometer stroomafwaarts hiervandaan.’ Gilan knikte instemmend. ‘Ik dacht al dat je daarnaartoe zou willen,’ zei hij. ‘Kijk, ze zijn bijna aan de overkant,’ voegde hij eraan toe en hij wees naar de rivier. De eerste drie ruiters stuurden hun paarden net weer uit het water de oever op. De boogschutters konden de paarden eindelijk loslaten en op eigen kracht uit het water klauteren. De cavaleristen gaven de mannen hun wapens terug en de boogschutters ploften vermoeid in het gras, waar ze op alle mogelijke manieren probeerden zichzelf enigszins droog te krijgen. Terwijl Gilan toekeek kwamen ook de overige boogschutters uit het water, kort daarop gevolgd door de voorraadkar. De mannen op de kar sprongen aan land en voegden zich bij hun kameraden. ‘Jager!’ Het was de boogschutter met wie Gilan net overleg had gevoerd. Hij zag dat de man op de bosrand wees. De eerste Vossen kwamen tevoorschijn en liepen het open veld op. ‘Zo te zien hebben onze vrienden zich weer een beetje hersteld,’ zei hij. Arnaut keek naar de overkant van de rivier en zag dat daar de boogschutters die zich net een weg door de rivier hadden gebaand en kletsnat de oever hadden bereikt, nog zaten uit te hijgen van de inspanning. ‘Het duurt nog wel een tijdje voordat ze zover zijn,’ zei hij. Gilan keek ook even naar de overkant en zag dat zijn vriend gelijk had. ‘Dan moeten de boogschutters die we hier nog bij ons hebben die Vossen maar op afstand houden,’ zei hij. Hij liet zich uit het zadel glijden. ‘Ik zal ze wel een handje helpen.’ Hij liep naar het overgebleven groepje boogschutters toe. Ze waren nu nog met z’n achten. Zeven waren samen met de cavalerie overgestoken en vijf hadden op de voorraadkar meegereden. Arnaut wendde zich tot de nog niet overgestoken cavaleristen. ‘Stel je op langs de oever,’ zei hij. ‘En sta klaar om de boogschutters te helpen als zij aan de oversteek beginnen.’ Hij hoorde in de verte hoe er orders werden uitgedeeld. De Vossen stelden zich op – dit keer in één lange linie. ‘Boogschutters, paraat,’ zei Gilan, net hard genoeg. De schutters, die een tijdje in het gras hadden liggen lummelen, kwamen overeind en stelden zich in lijn op, steeds een meter of twee bij elkaar vandaan, elk met de rechterhand op een pijl in de koker aan hun riem, terwijl ze met de linkerhand losjes hun boog vasthielden. Er was geen spoor van angst of zenuwen bij ze te bespeuren. Ze wisten wat er van hen werd verwacht en wat ze konden, en ze waren vastbesloten de oprukkende vijand een dodelijke slag toe te dienen. Aan de overkant van de rivier snerpte een fluittoon door de lucht. Arnaut draaide zich om en zag dat de twaalf boogschutters zich inmiddels in formatie hadden opgesteld. Hun commandant zwaaide met zijn boog naar de overkant om aan te geven dat ze klaar waren. ‘Nestor heeft zijn mannen in positie,’ riep Arnaut naar Gilan. De Jager zwaaide even ten teken dat de boodschap was overgekomen. Hij hield zijn blik op de naderende Vossen gericht. Door het uitblijven van de verwachte en zo gevreesde beschieting werd hun tred geleidelijk zelfverzekerder. Hun stemming verbeterde nog verder toen ze zagen dat het aantal schutters waarmee ze moesten afrekenen gehalveerd was. Acht boogschutters konden weinig tegen hun overmacht uitrichten, meenden ze. Hoe erg ze zich daarin vergisten zouden ze heel snel merken. De oprukkende eenheid van de Vossen werd geleid door een officier te paard, die zijn manschappen opzweepte door ze met de platte kant van zijn zwaard aan te tikken. Zijn mannen waren duidelijk bang voor hem, maar hij hield ze wel in beweging en zorgde dat er geen aarzeling in hun vooruitgang optrad. Gilan zag het tafereel met lede ogen aan. ‘Altijd een slecht idee om op het slagveld de aandacht te trekken,’ zei hij zachtjes. ‘Zeker als er boogschutters in de buurt zijn.’ En wat harder, zodat zijn mannen hem konden verstaan: ‘Goed, jongens. Ik zorg wel voor dat ventje op zijn paard. Zodra ik hem neerschiet is dat voor jullie het teken om ook te beginnen. Schiet snel, maar wel eerst mikken. Klaar?’ Er klonk wat instemmend gegrom uit de groep wachtende boogschutters. Acht handen pakten pijlen uit hun kokers en legden die op hun boog. Gilan knikte tevreden. Wat was het toch een gedisciplineerde groep, dacht hij. Op dat moment passeerde de vijandelijke linie het punt dat hij van tevoren al had uitgekozen. Hij legde een pijl in zijn eigen boog, tilde het wapen omhoog en schoot. Het ging allemaal zo snel dat het net leek alsof hij niet eens had gemikt. De pijl suisde in een strakke boog naar de officier toe en trof hem precies in zijn borst. Hij sloeg achterover, uit het zadel en over het achterwerk van het paard, plofte in het gras en bleef roerloos liggen. De mannen om hem heen deinsden een stukje achteruit en keken vol angst naar het levenloze lichaam van hun leider. Niemand had de pijl zien aankomen, en niemand had een van hun tegenstanders zien schieten. Maar voordat ze konden bedenken hoe dat kon, werden ze geraakt door het eerste salvo, dat insloeg op schilden, helmen en onbeschermde stukken arm en been. Eén man viel om, twee anderen wankelden. En daarop volgde vrijwel onmiddellijk een tweede salvo, dat nog meer schade aanrichtte en grote gaten in hun linie sloeg. Voordat ze wisten wat hen overkwam, volgde er alweer een derde serie pijlen, nu afgevuurd door Nestor en zijn manschappen aan de overkant van de rivier. Hun pijlen landden vanaf een grotere hoogte en sloegen met hun harde stalen punten diepe gaten in maliënkolders en in leren en metalen borststukken, en smeten de getroffenen aan alle kanten tegen de grond. Een sergeant keek eens langs de linie en stelde vast dat wat net nog een keurige rechte lijn was er nu uitzag als een haveloze, ongeorganiseerde bende. Ze waren nog zeker zeventig meter van het kleine groepje boogschutters verwijderd. Als ze zo doorgingen zouden ze, tegen de tijd dat ze de oever bereikten, nauwelijks mensen over hebben. En terwijl hij dat dacht sloeg er een pijl dwars door de leren helm van de man vlak naast hem. Hij keek even achterom naar hun commandant, die veilig tussen de bomen stond en aanwijzingen naar zijn mensen riep. ‘Jij hebt makkelijk praten,’ mompelde hij. ‘Jij vormt hier geen schietschijf.’ Hij stopte en hield zijn zwaard boven zijn hoofd. Het gebaar dat hij ermee maakte – eerst een draaiende beweging, daarna naar beneden en op de grond achter zich wijzend – kon maar op één manier worden uitgelegd. ‘Terug! Terug!’ riep hij, zo hard dat het over het hele terrein verstaanbaar was. ‘We trekken ons terug!’ Het leek hem verstandiger dat ze zich terugtrokken op een moment dat ze nog bereid waren naar hem te luisteren dan te wachten tot de pijlen alle wil om te vechten uit hun lichamen had geschoten. Gilan zag de eenzame figuur de aanwijzingen geven. De linie vormde weer een gesloten front, minder lang nu, en hij had al een pijl op zijn boog gelegd om de sergeant uit te schakelen die daar aanwijzingen stond te geven. Op het laatste moment hield hij zich toch in. De man was bezig de aftocht van de Vossen te regelen. Hij probeerde nog een paar van hun levens te redden door ze in een gesloten formatie op te stellen, maar hem nu neerschieten zou nergens op slaan. Ze waren zich aan het terugtrekken en hij liet ze hun gang maar gaan. De linie van de Vossen begon aan een terugtrekkende beweging. Ze moesten een flink aantal van hun getroffen kameraden in het hoge gras achterlaten. Toen Gilan zag dat ze zich weer in de richting van het bos bewogen, begreep hij dat ze voorlopig geen last meer van hen zouden hebben. ‘Staakt het vuren!’ riep hij, en vrijwel onmiddellijk kwam er een einde aan de beschietingen. Nestors mannen waren al eerder opgehouden, want de linie van de Vossen was inmiddels buiten hun bereik. ‘Naar de oever van de rivier!’ gebood hij. ‘Vorm koppels en steek over!’